Ook schaderegelaars in het nauw maken rare sprongen.
In het TROS TV-programma Radar op 11 januari 2010 (zie www.uitzendinggemist.nl) is aandacht besteed aan het dubieuze, misschien wel verwerpelijke declaratiegedrag van bepaalde bureaus en advocaten die zich opwerpen als belangenbehartiger in letselschade.
Kennelijk onder druk van deze berichtgeving begint een aantal zich op internet te roeren, waarbij de integriteit van andere bureaus ter discussie wordt gesteld, onder andere verwijzend naar de overeenkomst die vele verzekeraars (plm. 85% van de markt) met een groot aantal belangenbehartigers heeft gesloten. Het zogenaamde PIV-bgk-convenant. Aldus probeert men, ongetwijfeld in het nauw gedreven en bevreesd voor hun nering, een positieve ontwikkeling in het schaderegelingsproces in een negatief daglicht te plaatsen.
Laat u niet in de luren leggen.
De kosten van de belangenbehartiger moeten door de verzekeraar worden betaald. Dat is wettelijk geregeld. Daarbij geldt een zogenaamd redelijkheidscriterium.
In het begrip redelijkheid schuilt een oeverloze discussie die al sinds 1987 duurt. Het betreft een voedingsbodem voor een vervuiling en verstoring van het schaderegelingsklimaat.
In een poging om deze discussie te beslechten is met ingang van 1 januari 2005 een bilateraal convenant in het leven geroepen waarin afspraken zijn gemaakt over de hoogte van de kosten van de belangenbehartiger, die (deels) afhankelijk wordt gesteld van de hoogte van de schade. In het nog altijd in ontwikkeling zijnde convenant zijn ook andere zaken geregeld die ten doel hebben om het schaderegelingsproces te versoepelen. De lijst van deelnemers is openbaar en zichtbaar op www.stichtingpiv.nl. Deelnemende belangenbehartigers hebben de plicht om hun klanten daarover te informeren. Het convenant kan op geen enkele wijze in het nadeel van de klant werken – zelfs het tegenovergestelde is waar – en heeft daarom de steun van Slachtofferhulp Nederland.
In het convenant worden, simpel gezegd, de kosten van de belangenbehartiger uitgedrukt in een percentage van het schadebedrag, waarbij het percentage daalt, naar mate het schadebedrag hoger wordt.
Dat is volstrekt logisch.
De formule die daaraan ten grondslag ligt is gebaseerd op dossieronderzoek, waaruit is gebleken, dat een vergoeding op uurtarief in een vaste verhouding staat tot de hoogte van de schade, althans gemiddeld genomen.
Het argument dat door de tegenstanders wordt gehanteerd, als zou het convenant de prikkel wegnemen om een goed resultaat voor de klant te behalen, slaat dus nergens op.
Immers hoe hoger de schade, hoe langer de looptijd van het dossier, hoe hoger het honorarium. De omstandigheid dat het percentage lager wordt doet hieraan niets af.
Anders dan wel wordt beweerd, staat nergens in de overeenkomst, dat belangenbehartigers hun rechten verspelen, van welke aard dan ook, indien geen overeenstemming over de hoogte van de schade kan worden bereikt.
In dat geval resteert een vergoeding van het honorarium op grond van het in de wet bepaalde (art. 6.96 BW).
De kritiek op bedoeld convenant is niet meer dan een afleidingsmanoeuvre.
Potentiële klanten, slachtoffers van ongevallen, worden daarmee zand in de ogen gestrooid.
Want waar het werkelijk om gaat is het feit dat bepaalde belangenbehartigers hun klanten vaak volstrekt overbodig, enkel en alleen om er zelf beter van te worden, in de richting van no-cure-no- pay-contracten manoeuvreren. En dan komt het blijkbaar ook nog voor dat er dubbel gedeclareerd wordt (bij de klant en bij de verzekeraar).
Zeer goed voor de portemonnee van de “belangenbehartiger”, zeer slecht voor de portemonnee van de klant.
Dat moet aan de kaak worden gesteld, in het belang van het slachtoffer, en dat was, ondanks alle gebreken, ook de intentie van Radar.


